Home » Artikelen » Suikerstofwisseling

Suikerstofwisseling

Koolhydraten worden door het lichaam afgebroken tot glucosemoleculen. Die komen in het bloed terecht en worden vervoerd naar alle lichaamscellen om deze te voorzien van energie. Als er teveel glucose in het bloed zit spreken we van een verhoogde bloedsuikerspiegel. Het lichaam zal dan trachten het teveel aan glucose om te zetten in glucogeen. Dit is een reservevoorraad die aangesproken kan worden als het glucosegehalte in het bloed te laag is geworden. Slechts een bepaalde hoeveelheid glycogeen kan worden opgeslagen in lever en spierweefsel. Een man kan maximaal 700 gram opslaan en een vrouw maximaal 580 gram. Het omzetten van glucose in glycogeen en weer terug gebeurt in je lever. Het teveel aan koolhydraten, dat wat niet gebruikt cq omgezet cq opgeslagen kan worden als glycogeen wordt opgeslagen als vetweefsel. De opslag in vetweefsel is, in tegenstelling tot de opslag in glycogeen, vrijwel onbeperkt.

Stabilisering van de bloedsuikerspiegel

De hersenen en de rode bloedlichaampjes zijn voor de energieleverantie volledig afhankelijk van glucose, reden waarom zij ook het sterkst reageren op (sterk) wisselende bloedsuikerspiegels. Insuline en glucagon zorgen er samen voor dat de bloedsuikerspiegel binnen bepaalde waarden blijft. Deze hormonen worden geproduceerd door de alvleesklier en zorgen voor de aansturing van de verschillende regelmechanismes. Insuline regelt de omzetting van glucose in glycogeen en zorgt ervoor dat glucose door de cellen wordt opgenomen. Glucagon geeft het signaal voor de terug-omzetting van glycogeen in glucose.

Voor de aanmaak van hormonen heeft de alvleesklier een aantal stoffen nodig. De belangrijkste: chroom (minder trek in tussendoortjes), B vitamines, mangaan, magnesium en zink. In groente en fruit zitten deze stoffen vaak meteen al in.

Er zijn verschillende "oorzaken" aan te wijzen waardoor we gevoeligheden gaan ontwikkelen in de bloedsuikerspiegel sfeer (diabetes, hypoglykemie, hyperglykemie, hyperinsulinemie, insulineresistentie). Om te beginnen werken vitaminen en mineralen tekorten natuurlijk disfunctioneren in de hand. Aan de basis van het disfunctioneren ligt echter de hoge aanvoer van geraffineerd voedsel, vaak in combinatie met te weinig beweging. Hoe gaat dat in z’n werk?

Een voortdurende toevoer van glucose (lees: met name lege koolhydraten) zorgt voor veel bloedsuikerpieken waardoor er veel insuline nodig is om de zaak te reguleren. Na een tijdje zal de alvleesklier insuline "op voorraad" gaan maken met als gevolg zeer sterke dalingen van de bloedsuikerspiegel (hyperinsulinemie = teveel insuline aanmaken en hypoglycaemie = te lage bloedsuikerspiegel).

De insuline receptoren in de cellen worden door deze telkens te lage bloedsuikerspiegels en hoge insulinewaarden minder gevoelig. Dit gebeurt o.a. om te voorkomen dat er niet voldoende glucose beschikbaar is/komt voor de hersenen en de rode bloedlichaampjes. De andere cellen blijven daarmee verstoken van glucose voor de energieopwekking en worden gedwongen over te gaan op eiwit en/of vetverbranding. Dit laatste heeft als resultaat dat er veel ketonen (aceton) vrijkomen - verzuring van weefsel en acetonuitademing. Bijkomend probleem is dat er bij een tekort aan insuline receptoren ook te weinig glucose kan worden opgenomen op momenten dat de bloedsuikerspiegel wel (te) hoog is. Een volledige regulatiestoornis dus.

Tot slot werkt een voortdurende aanmaak van insuline uitputting van de alvleesklier in de hand. Een uitgeputte alvleesklier produceert te weinig of geen insuline en kan niet meer adequaat reageren op bloedsuikerschommelingen. Een blijvend hoge bloedsuikerspiegel is het gevolg. Een ziektebeeld met uiteenlopende complicaties....

De factor beweging is in deze belangrijk omdat door actieve beweging (stevig wandelen in de buitenlucht waarbij je nog moet kunnen blijven zingen) het lichaam geen insuline nodig heeft voor de opname van glucose in de cellen. Hiermee wordt de alvleesklier behoorlijk ontzien en wordt de bloedsuikerspiegel (onafhankelijk van het tekort aan insulinereceptoren of een lage insulineproductie) op een natuurlijke manier gereguleerd.

Glycemische lading

Bovenstaande factoren werden aangegrepen om voedingsmiddelen te selecteren die meer geschikt zouden zijn voor diabetici en mensen met hyperglykemie. Hoe sneller het eten van voedingsmiddelen leidt tot het stijgen van de bloedglucosewaarde, hoe hoger een glycemische index is. Hoe meer koolhydraten per 100 gram een product bevat (dus hoe geconcentreerder) hoe meer insuline het lichaam nodig heeft om de bloedsuikerspiegel stabiel te houden. Beide waarden (Gi en Kh per 100 gram) bepalen de glycemische lading van een product.

Aanbevelingen

  • Ga uitermate voorzichtig om met voedingsmiddelen die lege koolhydraten leveren
  • Gebruik als koolhydraatbronnen de oerbronnen: groente, fruit, peulvruchten, kiemen
  • Als je graanproducten wilt gebruiken, doe dit niet vaker dan 1x per dag en neem volkoren producten
  • Gebruik veel vezelstoffen uit groente en fruit, ze verminderen de Gi en dus de GL
  • Gebruik voldoende gezonde vetten, deze verlagen de Gi dus ook de GL